4. Beroepen

Simon Marinusz. Geelhoet is ‘bouwman’. De volgende 3 generaties hebben een landbouwer als oudste zoon. Simons zoon Marinus wordt ook genoemd als bode. Maarten Marinusz. is daarnaast aan­vankelijk schepen en later ook schout van Wissenkerke. Ook is hij een periode dijkgraaf. Maartens zoon Pieter is eveneens schout van Wissenkerke, van 1722 tot zijn dood in 1727. Hij blijkt ook als keurder van de meestoof te hebben gefungeerd.
Uit generatie IV is David Maartensz. Geelhoed graanschipper op Holland en de echtgenoot van Clara Constantina Geelhoed, Jan Jansz. Haringman, is schipper te Colijnsplaat. Marinus Maartensz. Geelhoed is gerechtsbode. In generatie V zijn de broers Jan, Pieter, Marinus en Maarten Pietersz. landbouwer, Maarten is geregeld schout. Pieter en Maarten zijn ook schepen van Wissenkerke. Pieter is als schepen actief als Schout en Schepenen in 1749 een Landwacht voor de gemeente Wissenkerke instellen, omdat de Fransen in Staats Vlaanderen invallen en er dreiging van hen uitgaat voor de rest van Zeeland. Men vaardigt orders uit dat iedereen zich bewapent, verplaatst de wachthuizen naar strategisch gunstig gelegen plaatsen, neemt maatregelen als te veel burgers zich ziek melden en laat in 1749 de officieren en manschappen trakteren omdat de dreiging is afgelopen.
Cornelis Davidsz. is koopman in Wissenkerke. Cornelis is blijkbaar een welgesteld man, die ook grond bezit en nogal eens voorkomt in de gerechtelijke akten, waar het om het lenen van geld gaat. Ook is er een brief uit 1753 bekend, gericht aan ‘Monsieur Cornelis Geelhoet coopman tot Wessenkerken’. Deze brief is geschreven na het overlijden van Jobje Ketelaar, die in Wissenkerke een winkel had. De vrouw van Thomas Briels uit Goes, bij wie Jobje schulden had, informeert bij Monsieur Geelhoet of zij in verband hiermee naar Wissenkerke moet komen of dat Cornelis haar zaken wil waarnemen. Cornelis is ook vaak schepen en heeft in 1758 een bijzonder ambt: voorzanger in de kerk.
In generatie VI worden twee zonen van Pieter, Pieter Pietersz. en Arij Pietersz., landbouwer respectievelijk te Kamperland en in de polder Geersdijk. Pieter Maartensz. Geelhoed is in deze generatie ook landbouwer te Wissenkerke, maar hij boert zienderogen achteruit.
In een document over grondeigenaren en pachters van Noord-Beveland uit 1760 worden Pieter Pietersz. en Maarten Pietersz. genoemd als grote pachters. Arij Geelhoed wordt als pachter van een kleiner stuk grond genoemd. De koopman Cornelis Geelhoed bezit en verpacht 90 gemeten. De eerder genoemde Maarten bezit blijkbaar ook grond, want hij verpacht 86 gemeten.

Opmerkelijk is dat we met generatie VI bijna de laatste generatie landbouwers noemen. De zonen van Pieter en Arij bezitten geen boerderij. Als Arijs vrouw Jannetje Kuzee in 1840 overlijdt heeft ze geen bezittingen meer. Ze heeft zichzelf als naaister in leven gehouden. De zoon van Pieter Maartensz. wordt nog wel als landbouwer genoemd. Van deze Maarten wordt op 3 februari 1796 na het overlijden van zijn vrouw Elisabeth Koeman de inventaris opgemaakt. Genoteerd wordt: ,,1 Hoefje met 5 gemeten weiland en 1 gemet 200 roeden bouwland in Heerjans­polder getaxeerd op 800 pond vlaams, 2 paarden, 4 koeien enz.’’. De kinderen van deze Maarten waren allen arbeider of dienstmeid.
In de eerste helft van de negentiende eeuw blijven alleen op Schouwen-Duiveland nog enkele Geelhoeden, Pieter Pietersz. en Maarten Pietersz. over, die van beroep landbouwer zijn. Op Walcheren bezit Laurens Geelhoed nog veel grond. Verder vindt men op de andere eilanden alleen nog arbeiders en dagloners. De broers Willem en Hendrik komen in de negentiende eeuw op een opmerkelijke manier weer terug in de boerenstand. Ze trouwen als knecht met de weduwe van een boer.
Waarschijnlijk houdt het verdwijnen van landbouwers onder de Geelhoeden verband met de economische achteruitgang, die in 1795 intreedt. De Noord-Bevelandse landbouw ondervindt ook veel schade door strooptochten van de Franse bezettingstroepen. Bekend is dat door de aardappelziekte in de jaren 40 van de negentiende eeuw de economische malaise een dieptepunt bereikte. We vinden in die periode een relatief groot aantal Geelhoeden terug in de strafinrichtingen in Zeeland. De reden is nogal eens (eenvoudige) diefstal. De broers Willem en Jacobus Geelhoed uit Wissenkerke zijn in het begin van de twintigste eeuw een flink aantal keren in een strafinrichting opgenomen wegens het overtreden van de jachtwet. Willem weet met zijn stroperij het plaatselijk gezag zo kwaad te krijgen dat ze hem in 1904 drie dagen laten zitten vanwege ,,het loopen over een oopen grond die bezaaid is’’, zonder dat ze hem op heterdaad kunnen betrappen.
Cornelis Geelhoed , broer van de eerder vermelde Pieter en Arij, waarvan we al vermeldden dat hij naar Zeeuws-Vlaanderen trok, wordt te Zaamslag smid en molenaar. Per 1 mei 1764 pacht hij een molen in Zaamslag. De aankondiging van de verpachting en het contract zijn bewaard gebleven. In het contract, de voorwaarden en condities voor de verpachting, worden zaken geregeld als reparaties en onderhoud, het wonen bij de molen, het wegen van het graan in het bijzijn van de klanten. Ook brandpreventie, het niet mogen houden van vogels en het moeten aanhangen van de juiste religie worden vastgelegd.
In 1803 laten twee kinderen van Cornelis een nieuwe molen bouwen in Zaamslag. Na de gebroeders Geelhoedt had deze molen verschillende eigenaars. Vanaf 1859 kwam deze molen aan de Polderstraat weer in het bezit van de familie Geelhoedt, tot hij rond 1932 (sommigen zeggen 1929) afgebroken werd.
Het beroep van smid vindt blijkbaar ook navolging, want smeden komen in deze familie nog veel voor. Intrigerend zijn de beroepen van Pieter Arijsz. Geelhoed. Hij wordt genoemd als bleeker en als sleeper. Een bleeker had als beroep het ontkleuren van allerlei stoffen, een sleeper was een vrachtrijder. Aanvankelijk werden vrachten voortgesleept met sleden, reden waarom het woord sleeper gebruikt werd.
In de eerste helft van de twintigste eeuw betonen de broers Jan en Jacob Geelhoed zich niet alleen bankwerker en boer, ze maken ook naam als uitvinder. Jan vond ,,een verstelbaren Engelse sleutel’’ uit en verkocht het patent voor enkele duizenden guldens. In 1918 wordt Jan door het Bureau voor Uitvinders, dat onvermogende uitvinders helpt, kosteloos geholpen aan erkenning en financiering vanwege zijn uitvinding vanwege een nieuwe Nederlandse moersleutel. Ook vond hij een pijpsnijtang en een fraistang uit. Jacob dacht al ploegende meer aan technische verbeteringen dan aan de goede vette grond waarin hij aan het ploegen was. Hij vond een centraal bestuurbare en verstelbare keerploeg uit en haalde daarmee de krant. Een andere uitvinder is Pieter Jacobus Geelhoed.
In 1903 haalde Abraham Geelhoed vanwege zijn beroep het Nieuwe Dagblad voor Overijssel en Gelderland. Abraham was marechaussee en hij was bij een poging om samen met een collega een groep van 7 stropers in te rekenen door een van hen met een geweerloop op zijn hoofd geslagen, terwijl één van de andere stropers hem vasthield. Of de rechtszaak tot een veroordeling leidde is niet duidelijk. Volgens de verklaring van een arts die als deskundige opgeroepen was, hield Abraham naast een litteken ook psychische gevolgen over aan het gebeurde en was hij niet meer tot werkhervatting in staat. Abraham kreeg op voorspraak van de burgemeester een eremedaille voor betoonde moed. Die is nog in familiebezit. In zijn volgende baan, rijkszuivelvisiteur in het westen van het land, haalt Abraham ook meerdere malen de krant, eenmaal omdat hij bij het uitoefenen van zijn functie mishandeld wordt. Ditmaal wordt een straf van een maand cel geëist tegen de mishandelaars.

Bij de tweede ‘Geelhoed-lijn’, de nakomelingen van Otto Gehlhuht, is geen sprake van agrarische beroepen zoals bij de Zeeuwse Geelhoeden. Diederik Otto is in Schiedam brander (van jenever?), zijn zoon Diederik en zijn klein­zonen Diederik Nicolaas en Willem Otto zijn onderwijzer.
Diederik schreef een aantal schoolboeken over aardrijks­kundige en sterrenkundige onderwerpen. Enkele titels zijn ‘Aanleiding tot de kennis van de aarde, de menschen en de natuur’, ‘Onderwijs in de behandeling der aardglobe’ en ‘Onderwijs in de behandeling der hemelglobe’. In het eerste boek, in 1810 geschreven, beschrijft Diederik nauwgezet geografische bijzonderheden van een aantal landen en geeft hij een typering van de volksaard. Willem Otto, een zoon van Diederik, schreef in 1865 het boek: ‘Zonderlinge levensloop van den Drentschen schoolmeester W. O. Geelhoed (door hem-zelven beschreven)’. In dit boek beschrijft hij onder andere hoe hij als kind Napoleon in een calèche met 6 paarden bespannen door Gouda zag trekken. ,,Terwijl de keizer hier van paarden wisselde, en eene menigte nieuwsgierigen naar de groote markt stroomde, had ik als kind nog gelegenheid, hem, in een groen pak, met zijne vurige oogen, zijn onrustige blik en den gelen tint van zijn Corsikaans uiterlijk te zien.’’ Ook beschrijft Willem Otto hoe zijn vader gevaar liep naar Frankrijk te worden gedeporteerd, vanwege zijn karakterschets van het Franse volk in het eerder genoemde boek ‘Aanleiding tot de kennis van de aarde, de menschen en de natuur’. Gelukkig was Diederik goed bekend met de burgemeester, en deze verhinderde dan ook dat Diederik als gevangene afgevoerd werd.
Johannes Jeremias, eveneens zoon van Diederik en van beroep militair, is bekend vanwege een schilderij van zijn hand, ‘Lekkerkerk aan de Lek in 1848’, dat tegenwoordig in het gemeentehuis van Lekkerkerk hangt (zie afbeelding hiernaast). Hij maakte ook tekeningen en aquarellen in Nederlands-Indië. Het bijbehorend manuscript: ‘Het eiland Banka en zijne uitwendige gesteldheid, opgedragen aan Z.E. generaal Jonkheer F.V.A. Ridders de Stuers, Commandant van het O.I. leger’, wordt in het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde in Leiden met een tekening en dertig aquarellen bewaard.
Lees verder in hoofdstuk 5: Tijden van oorlog.